De-gouden-eeuw en meer

Door julian

categorie: Geschiedenis en historie

Wepje

Maak ook gratis je eigen website op Wepje net als 585 anderen!
Bijvoorbeeld:
http:// .wepje.com
  • Shoutbox

    ?
    09-07-2010 19:48
    Kom nu voor de leukste wk-site naar deze site.
    24-06-2010 19:41
    Hou je van Habbo? Kom nu dan naar deze site. de beste en leukst informatie over habbo.
    24-06-2010 19:34
    Voor de beste WK site kom je naar deze site. De laatste uitslagen en geef ook je eigen mening en nog veel meer. Kom nu daar deze site!!
    28-05-2010 19:36
    wil je een leuke site over paarden? ok hier is hij (_)*hoefjes* capotasio
    13-05-2010 11:11
    Fruitluck kent vele Random runner Gokkasten variaties om gratis te spelen
    12-05-2010 19:07
    check this site to for music^^
    04-05-2010 09:23
    Alles weten over de computer? Wil je een superleuke quiz spelen. Kom dan naar www.computer.stekje.com Veel leesplezier.
    02-05-2010 08:35
    Kom voor leuke dingen en de meeste links naar de de-gouden-eeuw.stekje.com. Veel leesplezier.
    21-04-2010 09:43
    kijk snel op de justin bieber site leuk voor alle meiden !!!!!!!!
    01-04-2010 18:35
    Hè wil je een coole site over paarden zien??? hier ben je op het goede adres!! Capotasio
    25-03-2010 11:34
    ik zou willen dat die auro's van mij warenemoticon
    24-02-2010 11:47
    Hou je van de olympische spelen? Kijk dan op vancouver-2010.stekje.com. Voor het laatste nieuws en leuke filmpjes. Veel plezier
    23-02-2010 17:12
    Hou je van nederlandstalig muziek? kom gerust langs op onze website. www.radiodepiraat.tk En laat gerust een reactie achter in onze gastenboek.
  • de gouden eeuw

    De Gouden Eeuw was een periode in de Nederlandse geschiedenis, en dan met name van de noordelijke zeven Verenigde Provinciën, waarin de Nederlandse handelwetenschapkunst en militaire macht (vooral ter zee) een toppositie in de wereld innamen.

    Deze periode komt ruwweg overeen met de 17e eeuw. Sommigen houden als beginpunt het jaar 1602 aan, het jaar waarin de VOC opgericht werd; anderen kiezen hiervoor het jaar 1609, het beginjaar van het Twaalfjarig Bestand. Tot het einde van de Dertigjarige en de Tachtigjarige Oorlog in 1648 groeide de economie vrijwel ongehinderd, waarna een periode van consolidatie aanbrak. Na het rampjaar 1672 begon een periode van relatieve economische neergang en was de Gouden Eeuw over haar hoogtepunt heen.

    Dit artikel behandelt de sociale en culturele geschiedenis. Zie voor politieke gebeurtenissen ook Geschiedenis van Nederland en Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).

  • rijkdom

    Nederland nam in de 17e eeuw een absolute toppositie in de wereldhandel in. De bloeiende handel leidde tot een grote en zeer rijke klasse van kooplieden. De nieuwe voorspoed leidde ook tot meer aandacht voor en sponsoring van beeldende kunstenliteratuurwetenschappen en armenzorg[1].

  • zelfbuwestzijn en leiding...

    Zelfbewustzijn

    De uitkomst van de Nederlandse Opstand tegen Spanje, beter bekend als de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), die vrijheid van godsdienst en economische en politieke zelfstandigheid als inzet had en als uitkomst een volledige onafhankelijkheid van de protestantse noordelijke provincies, zal zeker het nationale moreel gesterkt hebben. Reeds in 1609, toen Nederland en Spanje een wapenstilstand sloten die 12 jaar zou standhouden, was veel van dit alles bereikt.

    Net als na de Franse Revolutie, om één ander voorbeeld te noemen, leidde politieke vrijheid tot vrijheid in andere domeinen van menselijk handelen en leidde deze ertoe dat men ook openstond voor nieuwe culturele en wetenschappelijke ideeën.

    [bewerken]Leiding van bestuurders en geleerden

    Aan het eind van de zestiende - en in zeventiende eeuw hebben de Nederlanden een aantal uiterst bekwame bestuurders gehad, zoals Johan van OldenbarneveltJohan de Witt (tevens wiskundige op het gebied van levensverzekeringen), Cornelis de Graeff en Andries Bicker. Ook ontbrak het niet aan bekwame veldheren zoals Prins Maurits en Prins Frederik Hendrik en admiraals als Piet HeinMaarten Tromp en vooralMichiel de Ruyter. Daarnaast waren er wetenschappers en bekwame vaklieden op allerlei terrein in de Nederlanden te vinden. Enkele grootheden en hun gebieden zijn Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) muziek, Hugo de Groot (1583-1645) volkenrecht en zeerecht, Louis de Geer (1587–1652) wapenfabricage en handel, Rembrandt van Rijn (1606-1669) schilderkunst, Franciscus Gomarus (1563-1641) en Jacobus Arminius (± 1559 - 1609) theologie, Christiaan Huygens (1629-1695) wis-, natuur- en sterrenkunde, Simon Stevin (1548 – 1620) waterbouwkunde en rekenkunde, Jan Adriaanszoon Leeghwater(1575 - 1650) waterbouwkunde en Benedictus Spinoza (1632-1677) filosofie.

  • sociale structuur

    In de Nederlanden van de 17e eeuw werd sociale status vooral door inkomen bepaald. In dit opzicht verschilden de Nederlanden van naburige landen, waar sociale status nog grotendeels afgemeten werd aan afkomst, hetgeen tot de Franse Revolutie zo zou blijven. Er waren hier wel sociale klassen, maar op een nieuwe manier.

    De aristocratie, of adel, had haar privileges grotendeels aan de steden verkocht, waar kooplieden en hun geld het voor het zeggen hadden. Bovendien was het aantal edelen in Nederland met land en macht, dus anders dan in naam, bijzonder laag in vergelijking tot omringende landen. Hiervoor zijn twee redenen aan te voeren: vanaf de 13e eeuw was het feodale stelsel in de Lage Landen in snel tempo afgebrokkeld. Veel horige boeren waren als vrij man naar het nieuw ontgonnen of ingepolderd land getrokken, waar zij pachter werden. Vanaf de 15e eeuwwerd ook nog eens veel land door rijke kooplieden opgekocht, die dit weer in pacht uitgaven. In de 16e eeuw was het de bewuste politiek van deHabsburgse vorsten geweest om edelen in allerlei bestuurlijke functies te vervangen door de opkomende klasse van universitair geschooldejuristen, wier afhankelijkheid en daarmee loyaliteit hoger was.

    De geestelijkheid had ook niet al te veel wereldse invloed: de katholieke kerk werd tot op zekere hoogte onderdrukt sinds het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog; de jonge protestantse kerk was verdeeld.

    Hiermee is niet gezegd dat de aristocraten niet over sociale status beschikten. Integendeel, het ging er veeleer om dat rijke kooplieden zich bij de adel inkochten door landbezit te verwerven en zich een familiewapen en -zegel aan te meten. Ook mengden aristocraten zich met leden van andere klassen om op een hen passende manier in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Hiertoe huwelijkten zij dochters uit aan rijke kooplieden, gingen zij zelf in de handel of aanvaardden zij een publiek of militair ambt om zo een salaris te verdienen. Ook kooplieden kregen interesse voor openbare ambten, aangezien deze hen grotere economische macht en meer prestige konden verschaffen.

    Een universitaire opleiding werd allengs gezien als een opstap naar zo'n publieke functie. Rijke kooplieden en aristocraten zonden hun zoons op een zogeheten Grand Tour (Grote Reis) door Europa. Deze jongelui bezochten dan universiteiten in verschillende Europese hoofdsteden, vaak vergezeld door een privé-leraar, als het even kon een man van de wetenschap.

    De hier beschreven vermenging van patriciërs en aristocraten kwam het meest voor in de tweede helft van de eeuw.

    Direct onder de aristocraten en patriciërs stond de gegoede burgerij, die bestond uit protestantse geestelijken, juristen, artsen, industriëlen en hogere ambtenaren. Een lagere status was toebedeeld aan kleine zelfstandigen, gespecialiseerde handwerkslieden, administratief personeel en boeren. Nog een trede lager stonden geoefende arbeiders, huisbedienden en ander dienstverlenend personeel. Aan de voet van de piramide bevonden zich de 'paupers', door Karl Marx later het proletariaat genoemd: verarmd landvolk, waarvan velen hun geluk beproefden in de steden, als bedelaar of dagloner.

    De armen- en ziekenzorg was in Nederland voor die tijd bijzonder goed geregeld. Deze waren in vorige eeuwen vooral een taak van gilden en van de katholieke kerk geweest. Na de reformatie nam de lokale overheid dit werk grotendeels over.

    Omdat rijkdom, of het gebrek daaraan, zozeer iemands sociale status bepaalde waren de standen minder scherp afgebakend dan elders. Tenslotte kon het fortuin keren. Ook het calvinisme, dat nederigheid als een belangrijke deugd prijst, had daar veel mee te maken. Deze tendensen zijn opmerkelijk bestendig gebleken. De huidige Nederlandse samenleving, hoewel veel meer geseculariseerd, wordt door velen nog steeds als opmerkelijk egalitair gezien.

  • wetenschap

    De intellectuele ruimdenkendheid en verdraagzaamheid trok denkers aan van overal uit Europa. Met name de gerenommeerde universiteit van Leiden (in 1575 door de stadhouder Willem van Oranje gesticht, als dank voor de rol van Leiden in het verzet tegen Spanje - zie Leids Ontzet3 oktober 1574) werd een ontmoetingsplaats voor deze mensen. Zo leefde en werkte de Franse wis- en natuurkundige en filosoof René Descartesin Nederland van 1628 tot 1649, onder meer in Leiden. Een voorloper van de Verlichting was Pierre Bayle, die zich in Rotterdam vestigde.

    Hollandse rechtsgeleerden waren vermaard om hun kennis van internationaal zeerecht en handelsrechtHugo de Groot (Hugo Grotius) legde de fundamenten voor het internationale recht. Hij ontwikkelde het concept van de Vrije Zeeën of Mare liberum, dat overigens fel bestreden werd door Engeland (zie: Engelse Scheepvaartwetten), dat in de loop van de 17e eeuw Hollands belangrijkste concurrent werd voor de heerschappij over de wereldzeeën. Ook formuleerde De Groot wetten, in zijn boek De iure belli ac pacis (Over oorlogs- en vredesrecht), voor het reguleren van conflicten tussen naties.

    Christiaan Huygens was een beroemd wiskundigenatuurkundige en sterrenkundige. Hij vond hetslingeruurwerk uit, waarmee de tijd nauwkeuriger kon worden gemeten. Aan de hand van zijn astronomische waarnemingen verklaarde hij de ringen van Saturnus. Hij bedacht de golftheorie van het licht en droeg veel bij aan mechanica. Twee soorten microscopen werden in Nederland ontdekt: de samengestelde microscoopdoor Zacharias Jansen en een afwijkend type met kraallens door Antoni van Leeuwenhoek. Met zijn systematische waarnemingen van microorganismen legde van Leeuwenhoek de basis voor de celbiologie.Jan Swammerdam verbeterde de microscoop en ontdekte onder meer de rode bloedlichaampjes. De uitvinding van de telescoop wordt toegeschreven aan Hans Lippershey.

    Belangrijke Nederlandse waterbouwkundige ingenieurs waren Simon Stevin, die tevens wiskundige was en het decimale stelsel voor breuken ontwierp, dat het mogelijk maakte met gebroken getallen veel sneller te rekenen. Jan Adriaanszoon Leeghwater (1575-1650) voerde diverse grote inpolderingsprojecten uit, zoals van de Beemster, ter bestrijding van overstromingen en om land te winnen.

    Ook weer als gevolg van het tolerante klimaat maakten uitgeverijen (onder meer Elsevier) een grote bloeiperiode mee. Veel boeken over religie, filosofie en wetenschap die in andere landen controversieel werden gevonden werden daarom in Nederland gedrukt en heimelijk naar het buitenland uitgevoerd. Aldus werden de Lage Landen in de 17e eeuw allengs meer de uitgever van Europa. Toch heerste er een streng regiem ten opzichte van afwijkingen van de officiële gereformeerde leer, en hanteerden overheden, zoals 

  • Letters

    Het begin als pictogram

    De allereerste schriften bestonden uit gestyleerde symbolen voor concrete begrippen. Als men het woord voor waterkan wilde opschrijven, maakte men een tekening van een kan. Dit noemt men pictogrammen. Later volgde het gebruik van ideogrammen: het teken voor "zon" werd ook gebruikt voor begrippen als "dag" en "licht". Nog later verbond men pictogrammen met de klank van het woord (fonogrammen). Het teken van de waterkan kon bijvoorbeeld ook gebruikt worden in de zin "dat kan ik" of in het woord "kant". Pictogrammen, ideogrammen en fonogrammen werden door elkaar gebruikt en leverden een soort rebusschrift op. Voorbeelden hiervan zijn het spijkerschrift (3000 v.Chr.,Soemerië) en de vroege hiërogliefen (2500 v.Chr.Egypte). De Egyptenaren gingen het verst met de ontwikkeling tot klankschrift.

    Van pictogram tot fonetisch alfabet

    De Feniciërs (een zeevarend en handeldrijvend volk dat onder meer woonde waar tegenwoordig Libanon en Syrië liggen) zijn er uiteindelijk in geslaagd een succesvol fonetisch (=klank) schrift te ontwikkelen dat bestond uit 22 medeklinkers. Het is niet bekend wanneer dit eerstealfabet werd ontwikkeld, maar wel is zeker dat vele volkeren rondom de Middellandse Zee dit overnamen, en dat het rond 1000-500 v.Chr.algemeen in gebruik was in die gebieden. Zo zijn het huidige GrieksHebreeuws en Arabisch alfabet afstammelingen van het Foenicisch schrift.

    Van de Griekse beschaving werd het alfabet door de Romeinen overgenomen (circa 300 v.Chr.). Omdat het Latijn wat andere klanken kende, veranderde er in de loop der eeuwen enkele kleinigheden in het Griekse alfabet. Wij noemen dit alfabet het Latijns schrift.

    Het Cyrillisch alfabet, dat gebruikt wordt in veel slavische talen, is ook afkomstig van het Grieks alfabet. Het werd in de 9de eeuw speciaal voor de Slavische vertaling van de Bijbel ontworpen door de Byzantijnse geleerde broers Cyrillus en Methodius.

    De alfabetten in Zuid-Azië en Zuidoost-Azië hebben hun oorsprong in India.

    Geschiedenis van de lettervorm in het Westen

    Grote invloed op de uiterlijke vorm van de lettertekens hadden de gebruikte schrijfmaterialen, het doel waarvoor men schreef en de productiesnelheid en de heersende opvattingen over stijl en schoonheid. In de loop der tijden is de lettervorm daarom steeds blijven veranderen en tegenwoordig zijn er vele verschillende soorten in gebruik.

    [bewerken]Romeinse tijd

    De Romeinen schreven met een rietpen op papyrusrollen. Het papyrus was ruw, waardoor men geen fijn schrift kon gebruiken en ook de rietpen leende zich daar niet voor. De Romeinse samenleving hechtte veel waarde aan ordening en geometrische vormen. Zo ontstonden de grote Romeinse kapitalen, die samenstellingen van vierkanten en cirkels zijn. Later ontwikkelde zich een makkelijker te schrijven variant van deze hoofdletters, de rustica of ook wel rotunda genoemd. Deze letters zijn wat smaller (en nemen minder van het dure papyrus in beslag) en hebben minder hoekige vormen.

    Rond 300 raakte het gebruik van perkament en vellum (gemaakt van dierenhuiden) meer en meer in zwang. Het oppervlak hiervan was veel gladder en leende zich voor fijner schrift. In die tijd raakte ook het gebruik van de ganzenveer in zwang, die ook een fijner schrift kon produceren. Papyrusgeschriften moesten opgerold bewaard worden, maar het gebruik van perkament maakte het mogelijk de "codex" te ontwikkelen: afzonderlijke bladzijden ingenaaid en ingebonden in een kaft.

    [bewerken]Vroege Middeleeuwen

    Na het uiteenvallen van het Romeinse rijk rond 400 verviel de eenheid in gebruikte lettervormen en in verschillende centra in Europaontwikkelden zich uiteenlopende schriftvormen, die slechts een ding gemeen hadden: het gebruik van stokken en staarten. Het zich steeds uitbreidende christendom ontwikkelde een verfijnder vorm van de rustica: de unciaal. Kenmerken van deze letter zijn: de sierlijke ronde vorm, die geen stokken of staarten kent boven of onder de schrijflijnen. Bij de half-unciaal zijn er enkele kleine stokken of staarten te herkennen. Het schrijfwerk speelde zich voornamelijk in de kloosters af. Met name in Ierse kloosters werd dit schrift verfijnd, en ontstond de gewoonte het schrift te versieren (verluchten of illumineren heet dit). Doel van het produceren van schrift was bij te dragen tot de glorie van God en efficiëntie speelde geen rol. Uiteindelijk leidde dit tot de vervaardiging van het schitterende Boek van Kells waarvan soms beweerd wordt dat aan de vervaardiging van een enkele pagina een monnik zijn hele leven besteedde. Kenmerkend voor dit boek en andere in Ierland en de Britse eilanden gemaakte handschriften zijn de sierlijke, van oorsprong keltische geometrische versieringen.

    Toen rond 800 door Karel de Grote weer een eenheid gesmeed was binnen Europa, verstrekte Karel aan enkele schrijfmeesters de opdracht een lettertype te ontwikkelen dat algemeen gebruikt zou worden in kloosters en wetenschappelijke instituten. De schrijfmeesters grepen terug op de unciaalvorm, maar werkten deze letter uit met stokken en staarten. Deze letter werd de Karolingische minuskel genoemd. De schrijfmeesters stelden ook regels op voor het indelen van schrijfwerk: de hoofdtitel werd uitgevoerd in Romeinse kapitalen, subtitels in rustica of unciaal en de tekstblokken in de minuskel.

    [bewerken]Late Middeleeuwen

    Schrijven en lezen was voornamelijk voorbehouden aan de geestelijke stand. Op enkele uitzonderingen na konden koningen en edelliedenmeestal wel (moeizaam) lezen maar niet schrijven en zeker het gewone volk konden niet lezen of schrijven. Nog steeds was het zo, dat het schrijven door ambachtslieden werd uitgevoerd, in de kloosters en ook in de opkomende gilden voor schrijvers en verluchters. Wel is er een nieuwe groep die het lezen machtig wordt: de wetenschappers. Ook voor kooplieden werd het steeds noodzakelijker dat ze zelf konden lezen en schrijven.

    Omdat het schrijven door ambachtslieden geschiedde, die voor opdrachtgevers werkten, ontwikkelden zich geen persoonlijke handschriften en daardoor is de vorm van de Karolingische minuskel eeuwenlang in gebruik gebleven. Toch is er wel invloed op de lettervorm te ontdekken: zo ontstond er door kennismaking met oosterse beschavingen een ietwat amandelvormige variant en zeker de gotische stijl was van invloed op het lettertype: er ontstonden hoekige vormen. In Duitsland ging men het verst met deze hoekige vormen. Daar schreef men de letters extreem smal en hoekig, waardoor een star en lastig leesbaar schriftbeeld ontstond, het Fraktur.

    [bewerken]Renaissance

    Tijdens de Renaissance ontstond in Florence en Venetië bij wetenschappers de behoefte om zelf de schrijfkunst te beoefenen, en men zocht naar een schriftsoort dat sierlijker was dan de plompe gotische vormen en ook makkelijker schrijfbaar. Uitgaande van de oorspronkelijk Karolingische minuskel ontwikkelde men het humanistische schrift, dat ietwat schuin geschreven werd (dat is makkelijker en sneller te produceren). Uiteindelijk ontwikkelde dit humanistisch schrift zich tot de cursief, ook wel italiek genoemd. Dit elegante schrift, dat zeer ritmisch geschreven kan worden, leende zich uitstekend voor het uitbundig versieren van stokken en staarten met artistieke krullen.

    [bewerken]Nieuwe tijd

    Schrijfletters zoals ze tot in de jaren zeventig werden onderwezen

    Nadat rond 1500 de boekdrukkunst werd toegepast, ontwikkelde men de drukletter. Bij de eerste gedrukte boeken sneed men een hand-gekalligrafeerde pagina in spiegelschrift uit op een houten blok, maar de toenemende vraag naar boeken maakte deze methode te omslachtig. Daarom ontstond de methode waarbij men in verschillende grootte en typen losse letters vervaardigde, die samen een pagina vormden. De letters kon men later weer opnieuw voor een ander werk gebruiken. De vorm van de drukletter baseerde men op de Karolingische minuskel, hoewel in Duitsland tot 1940 gewerkt werd met gotische drukletters. Het ontwikkelen van drukletters en het opmaken van drukwerk leidde tot het ontstaan van nieuwe beroepen: de grafische ontwerpers. Dit vak wordt ook aan kunstacademies onderwezen. De computer verschafte de grafische ontwerpers vele nieuwe mogelijkheden.

    De beroepen van schrijver en verluchter werden overbodig.

    Het gebruik van de boekdrukkunst leidde nog wel tot het ontstaan van een nieuw, handgeschreven lettertype. Op de koperplaat bleek men zeer fijne letters te kunnen graveren, en door toepassing van verschillende hulpmiddelen kon men buitengewoon fijne krulpatronen maken, veel verfijnder dan ooit met handschrift mogelijk zou zijn. De vorm van de ganzenveer kon deze fijne letter- en krulpatronen niet maken, maar na 1850 werd op grote schaal de metalen pen in productie genomen, waardoor men met de pen het copperplate-schrift kon namaken: dit schrift kenmerkt zich door de schuine stand, de dunne ophalen en de dikke neerhalen, het aaneenschrijven van de letters met sierlijke ophalen en de lussen aan kop- en staartletters (ook wel het lopend schrift genoemd). Deze schrijfwijze is het schrift dat in Nederland op vele scholen tot in de jaren 1960 aan de kinderen op Nederlandse lagere scholen werd geleerd.

    De belangstelling voor de oude kalligrafie herleefde rond 1850 als vorm van hobby. Nadat de Engelse huisarts Edward Johnston rond 1900 de oude lettervormen had bestudeerd, gaf hij in 1906 een leerboek uit voor kalligrafie. Johnston ontwikkelde ook nieuwe lettervormen. Mede door zijn werk groeide de hobby van het kalligraferen uit tot de zelfstandige kunstvorm, die het heden ten dage is. Nu kalligrafie een kunstvorm is, worden er vele alfabetten ontwikkeld, met zeer persoonlijke kenmerken.

  • Alle talen

    • tolerantie

      Volgens sommigen was Nederland een bijzonder tolerant land vanwege de internationale handel en de reformatie, die zou hebben bijgedragen aan een over het algemeen milde opstelling ten opzichte van andersdenkenden. Protestanten stellen dat de interpretatie van de Bijbel vooral een kwestie van het eigen geweten van ieder individu is, en verwerpen centrale dogma's en een klerikale hiërarchie om deze te bekrachtigen. Dat nam niet weg dat de gereformeerden in de Gouden Eeuw een machtspositie innamen gelegitimeerd door de Staat (Synode van Dordrecht) en het andersdenkende protestanten moeilijk of onmogelijk maakten volgens andere opvattingen religie te bedrijven.

      Of het hier ging om de bijna spreekwoordelijke Nederlandse tolerantie (zie ook sectiereligie hieronder) of om een vorm van onverschilligheid, in ieder geval maakte dit het buitenlanders makkelijk om naar de Lage Landen te reizen of zelfs te emigreren (vaak als vluchteling). De Nederlanders in de Gouden Eeuw bleken echter in bepaalde opzichten helemaal niet erg verdraagzaam, zoals ten opzichte van varianten op het 'officiële' gereformeerde geloof. De vrijzinnig georiënteerde doopsgezinden,remonstranten en mennonieten bijvoorbeeld werden vervolgd, kregen strenge beroepsverboden en moesten soms (in het geval van de strikt pacifistische mennonieten) zelfs emigreren (zoals naar Danzig en omstreken, en later naar de Wolga waar zij bekend werden als 'Wolga-Duitsers'). Joden in Nederland konden geen lid worden van de gilden, konden geen poorter worden en mochten niet trouwen met niet-Joden. Toch was er relatief veel vrijheid in de Nederlanden, en werd een aantal Nederlandse steden een sociale 'smeltkroes'.

    • koloniaal rijk

      Ook op militair vlak ging het de Republiek voor de wind. De Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de Nederlandse West-Indische Compagnie verkregen niet alleen het monopolie op handel in specerijen, ook beheersten hun schepen de wereldzeeën. Dit was zeer tegen de zin van Engeland, naijverig op de Hollandse positie.

      Hoewel zij beiden tegen de Spanjaarden gevochten hadden tijdens de Tachtigjarige Oorlog stonden de twee landen lijnrecht tegenover elkaar wanneer de Republiek een enorm koloniaal rijk uitbouwde. Dit leidde tot de Nederlands-Engelse Oorlogen.

    • sociale structuur

      Verstedelijking

      De bijzondere positie die de Nederlanden in de 17e eeuw innamen is des te verwonderlijker als men bedenkt dat het aantal inwoners van de Verenigde Provinciën nooit boven de twee miljoen is uitgekomen. Een opvallend aspect van de noordelijke Lage Landen was de hoge graad van verstedelijking. Het merendeel van de inwoners leefde in het westen, in het gewest Holland (het huidige Noord- en Zuid-Holland). Daarvan leefde ongeveer de helft in een stad, in Holland met name in AmsterdamLeidenHaarlem en Delft, daarbuiten waren Middelburg en Utrecht de grootste steden. Deze verhouding tussen stedelingen en plattelandsbewoners was voor die tijd uitzonderlijk: in omringende landen woonde slechts vijftien tot twintig procent van de mensen in een stad.

      Dit is des te opmerkelijker als men bedenkt dat ruim twee eeuwen eerder, aan het eind van de 14e eeuw, slechts drie steden in ditzelfde gebied niet veel meer dan 10.000 inwoners hadden, en dat de bevolking toen nog voornamelijk in het midden en oosten van het land woonde. De grote bevolkingsaanwas in het westen was mogelijk gemaakt door de waterbouwkundige werken, die vanaf de 13e eeuw op ongekende schaal zijn uitgevoerd, (in het hele land maar vooral in de westelijke kustprovincies): landaanwinst aan de kust, indijking van rivieren en inpoldering. Deze immense inspanningen vormden tevens door het grote en complexe bestuurlijke apparaat dat hiervoor nodig was een extra verklaring voor de hoge bestuurlijke organisatiegraad in de Nederlanden. Ook de geleidelijke overgang van graanbouw op veeteelt had een rol gespeeld bij de trek naar de steden. Naarmate meer graan werd geïmporteerd verschoof het accent naar de minder arbeidsintensieve veeteelt.

    • cultuur

      e Lage Landen maakten in de 17e eeuw een culturele ontwikkeling door die zich onderscheidde van omringende landen. Zo zou de barokweinig invloed doen gelden, op enige uitzonderingen na (met name dichter Joost van den Vondel). De overdadigheid van de barok paste niet bij de strengheid van de merendeels calvinistische bevolking.

      De burgerij vormde de drijvende kracht achter de nieuwe ontwikkelingen, en dan met name in de westelijke provincies: eerst en vooral inHolland, in mindere mate in Zeeland en Utrecht. Waren het in andere landen vooral rijke aristocraten die beschermheer van de kunsten werden, in de Lage Landen was hun bescheiden aantal er debet aan dat deze rol overgenomen werd door rijke kooplieden en andere patriciërs.

      Centra van culturele activiteit werden gevormd door schutterij en rederijkerskamers. De primaire taak van de schutterijen was het verdedigen van een stad in tijden van nood en het uitvoeren van politietaken, maar daarnaast vormden zij een ontmoetingsplaats voor mensen uit de gegoede middenklasse, die er met trots een prominente positie bekleedden, en er een behoorlijk bedrag voor over hadden om dit voor het nageslacht vast te laten leggen. De rederijkers vormden verenigingen (kamers) in de steden, die tot doel hadden literaire activiteiten te organiseren, zoals dicht- en toneelkunst en debatten, vaak in de vorm van wedstrijden. De steden waren trots op hun rederijkerskamer en ondersteunden deze.

    • Tekens

      Tekens

      [bewerken]Index

      [bewerken]Valutatekens

      Voor eigen en vreemde valuta worden ook wel tekens gebruikt, waarvan voorbeelden zijn:

      [bewerken]Wiskundige tekens

      Er zijn zeer vele wiskundige symbolen. De meest gebruikte zijn:

      In wetenschappelijke documenten worden bovendien veel tekens uit het Griekse alfabet gebruikt.

      In andere talen, of in technische geschriften, worden nog meer tekens gebruikt. In lopende tekst zijn deze niet gebruikelijk.


      Verder zijn er nog de diakritische tekens, die bijvoorbeeld samenhangen met de uitspraak van een woord, zoals de accenten (op é en è bijvoorbeeld).

      [bewerken]Overige tekens

      In tekst worden ook wel andere tekens gebruikt, die geen leestekens zijn.

      [bewerken]Iconen

      [bewerken]Symbool

    • onderwijs

      In vrijwel alle steden en grotere plaatsen in de Gouden Eeuw bestonden particuliere lagere scholen voor vijf- tot ongeveer tienjarigen en daarop was enige kwaliteitscontrole door de overheden in grotere steden. Hier leerden kinderen (tegen betaling) in ongeveer twee jaar lezen en rekenen, en eventueel na nog een jaar of twee schrijven. Daarna was er in de steden de mogelijkheid van de Latijnse school, waar schrijven, Latijn, oude geschiedenis en welsprekendheid werd onderwezen - geheel in het Latijn.

      [bewerken]Universiteiten

      De Universiteit van Leiden was in 1575 de eerste van de Noordelijke Nederlanden. Deze mocht worden opgericht als beloning van Willem van Oranje voor het Leids verzet tegen de Spanjaarden. Deze protestante staatsuniversiteit onderwees aanvankelijk alleen protestante theologie, welsprekendheid, oude geschiedenis, Latijn en Grieks en wiskunde. Omdat Leiden één van de eerste protestante universiteiten was, trok hij uit heel Noord-Europa (waar veel oorlogen heersten) protestante studenten. Er doceerden Europese beroemdheden als de Vlaamse humanist en geschiedschrijver Justus Lipsius, de Franse letterkundige Josephus Justus Scaliger, de jurist Hugo de Groot, de Vlaamse letterkundige Daniël Heinsius, de wiskundige Willebrord Snellius en Duitse linguïst Gerard Vossius, en de laat in de 17de eeuw geboren Nederlandse medicus enbotanicus Herman Boerhaave. Bekend waren ook de theologen Franciscus Gomarus en diens tegenstander Jacobus Arminius, die een hooglopend conflict hadden dat uitliep op winst voor de harde, calvinistische 'Gomaristen' en vervolging van de zachtmoediger remonstrantse 'Arminianen'.

      Er was vooral onderricht in filosofie en kennis van de klassieke Romeinse en Griekse geschiedenis. Daarnaast was er onderricht gegeven in de zeven vrije kunsten (grammatica van Latijn en Grieks, dialectica, retorica, aritmetica, geometria, musica, astronomia). Deze vakken werden op vrijwel elke universiteit in die tijd gegeven. Nieuw in Leiden was echter de schermschool. Het schermen diende een nauwkeurig wiskundig patroon te volgen. Simon Stevin stelde het lesprogramma op voor de "Duytsche Mathematique" - een ingenieursschool met wiskunde en toegepaste natuurkunde in het Nederlands voor landmeetkunde en vestingbouw, het enige vak in de volkstaal. Net als de schermles hadden deze vakken vooral een militaire betekenis. Ze kwamen tegemoet aan prins Maurits' behoefte aan kennis van beschietingstechnieken en vestingbouw in verband met de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje.

      In de loop van de 17de eeuw volgde de oprichting van de protestantse universiteiten van Franeker (1585), Groningen (1614), Amsterdam (1632),Utrecht (1636) en Harderwijk (1648).

    • schilderskunst

      Geschilderde portretten waren in de 17e eeuw in de Nederlanden zeer gewild. Rijke handelaren en patriciërs lieten zich graag afbeelden. Ook werden veel opdrachten geplaatst door de vooraanstaande leden van een schutterij of bestuursorgaan.

      Vooral in de eerste helft van de eeuw waren portretten erg formeel, en strak van opbouw. Vaak zat een groep rond een tafel, en was ieders blik naar de toeschouwer gericht. Kledij werd zeer minutieus afgebeeld. Dit gold ook voor meubels en eventuele andere objecten, om zo de maatschappelijke positie van de geportretteerde te onderstrepen. Later in de eeuw werden groepstaferelen levendiger en de kleuren helderder.

      Wetenschappers poseerden vaak gezeten tussen hun instrumentarium en studieobjecten. Artsen werden meermalen afgebeeld tijdens een 'anatomische les': gegroepeerd rond een lijk, terwijl een van hen college gaf. De beroemdste hiervan is de Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp (1632MauritshuisDen Haag).

      Bestuursraden zagen zich graag afgebeeld rond een tafel, ernstig kijkend. De sobere donkere kledij benadrukte enerzijds hun gestrengheid en nederigheid, maar maakte door zorgvuldig gepenseelde verfijning en snit toch duidelijk dat zij niet tot de minsten behoorden. Families lieten zich graag vereeuwigen in hun luxueuze huizen.

      Vooral in Amsterdam en Haarlem werden veel schuttersstukken vervaardigd. De opdrachtgevers poseerden als machtige, joyeuze, zwierige mannen van de wereld. Ook hier eerst weer veel gezelschappen die rond een tafel gezeten waren. Later werd de mise en scène dynamischer. Het bekendste schuttersstuk is De Schutterscompagnie van kapitein Frans Banning Cocq, beter bekend als De Nachtwacht (1642,RijksmuseumAmsterdam). In Amsterdam zouden de meeste schuttersstukken uiteindelijk in het bezit van de gemeente komen. Veel daarvan zijn nu onderdeel van de vaste collectie van het Amsterdams Historisch Museum. De Haarlemse schuttersstukken bevinden zich bijna allemaal in het Frans Hals Museum. Maar liefst 18 van de 20 bewaard gebleven Haarlemse schuttersportretten zijn daar te bewonderen. Vijf daarvan zijn vervaardigd door Frans Hals: kolossale doeken, die samen 68 individuele portretten tonen, geschilderd in de fameuze, in de loop der tijd steeds lossere en virtuozere schilderstijl die Hals' handelsmerk was.

      Bij veel groepsportretten betaalde iedereen die afgebeeld wilde worden de schilder apart, die dan de plaats van de persoon op het schilderij liet afhangen van de bijdrage: met een royale betaling kon met zich van een plaats op de voorgrond verzekeren, en werd men in vol ornaat van hoofd tot voeten uitgebeeld; had men bescheiden bijgedragen, dan figureerde men al gauw op de achtergrond, het hoofd nog net zichtbaar tussen omstanders.

      [bewerken]Alledaagse taferelen

      Johannes Vermeer Melkmeid(1658-1660)

      Veel genre schilderijen, die op het eerste gezicht alleen het leven van alledag toonden, waren in feite illustraties van oude spreekwoorden en gezegden of hadden een moralistische boodschap, die tegenwoordig niet altijd meer makkelijk te achterhalen is. Alle rangen en standen werden afgebeeld. Genre schilderijen verschaffen ons veel inzicht in hoe onze voorzaten uit de 17e eeuw door het leven gingen. Zoals hiernaast door Johannes Vermeer, de Melkmeid.

    • Letters

      Letters in Zuid-Azië en Zuidoost-Azië

      De talen in Zuid- en Zuidoost-Azië hebben hun eigen klanken, letters en alfabetten, die in meer of mindere mate op elkaar lijken. Dit is zo omdat de alfabetten in deze regio zijn gebaseerd op een of meer oude Indische alfabetten of schriften. Ook is er in sommige landen een sterke Chinese invloed op de klanken, terwijl men toch een alfabet gebruikt (in China gebruikt men geen alfabet maar karakters of symbolen). Ook al lijken deze Aziatische letters en alfabetten voor westerlingen soms op het eerste gezicht op elkaar, toch kan bijvoorbeeld een Thai het Indische alfabet niet lezen en moet hij het Indische alfabet van de grond af aan leren. Elk land heeft er zijn eigen alfabet, gebaseerd op het Indische alfabet, en gebruikt een eigen schrift. Het Indiaas en het Nepalees gebruiken een sterk op elkaar gelijkend schrift. Ook het schrift van Laos en Thailand lijkt op elkaar. Het schrift van Myanmar heeft veel weg van dat in Sri Lanka.

      In Zuidoost-Azië (ThailandLaosCambodja en Vietnam) is er ook een grote Chinese invloed op de taal, wat zich uit in het gebruik van verschillende tonen of klanken. Daar westerlingen niet aan het gebruik van verschillende tonen in een taal gewend zijn, kan een westerling vaak geen verschil in uitspraak ontdekken in woorden die dezelfde klank gebruiken maar andere tonen. Het woord 'Maa' in Thailand heeft, afhankelijk van de toon waarmee het woord uitgesproken wordt, de volgende betekenis: paard, hond, kom (werkwoord). En 'Kie Maa' betekent, afhankelijk van de gebruikte tonen, ofwel paardrijden of hondenpoep. Deze tonen worden ook opgeschreven in het Thaise schrift, al worden ze niet gerekend tot het Thais alfabet, dat uit meer dan 70 letters bestaat.

      De oosterse alfabetten hebben alle het kenmerk dat een letter soms vóór, soms ná, soms bóven en soms ónder de voorgaande letter kan worden geschreven. Men leest een pagina net als in het westen: van links naar rechts en van boven naar onder.

      Voorbeelden van letters uit verschillende landen:

      • Indiaas: भारत गणराज्य
      • Nepalees: नेपाल अधिराज्य
      • Thaisภาษาไทย
      • Laotiaans: ສາທາລະນະລັດປະຊາທິປະໄຕ ປະຊາຊົນລາວ
      • Vietnamees: Cộng hòa Xã hội chủ nghĩa Việt Nam (In Vietnam verboden de Franse bezetters het gebruik van het Vietnamese schrift)

      [bewerken]Zie ook

    • Voorletters

      Een voorletter is een afkorting van een voornaam, die in adressering veel wordt gebruikt. De voorletters geven in combinatie met de achternaam meestal een duidelijk onderscheid tussen leden van hetzelfdegezin of dezelfde familie. Een voorletter wordt gevolgd door een punt en een spatie, daarachter komt eventueel het tussenvoegsel en dan de achternaam. De voorletters maken deel uit van de initialen van de persoon. Sommigen gebruiken het begrip voorletter ook voor andere namen, zoals van bedrijven, plaatsnamen of wegen. Volgens Van Dale is echter alleen de betekenis voor de voornaam juist.

      Vaak hebben mensen meerdere voorletters, maar die worden niet altijd gebruikt. Vaak worden de spaties tussen de verschillende voorletters weggelaten. In NAW-gegevens (Naam, Adres, Woonplaats) worden veelal voorletters gebruikt, maar soms wordt hierin de gehele voornaam ingevuld. Het grootste aantal voorletters dat iemand in Nederland of België heeft is onbekend, maar vijf is niet echt bijzonder, met als voorbeeld Hans van Mierlo die H.A.F.M.O. als voorletters heeft en zes is ook geen uitzondering, getuige politica Lousewies van der Laan die L.W.S.A.L.B laat noteren. Een cricketspeler uit Sussex heette J.E.B.B.P.Q.C.E. Dwyer (8) en de in november 1973 geboren speler uit de Engelse Football League heet A.P.D.T.F.D.S.G.G.S.J. Oatway (11).

      Van sommige mensen zijn de voorletters heel bekend. Goed voorbeeld is de heer G. B. J. Hiltermann en schrijver A. F. Th. van der Heijden. Ook Ru Bosscha was veel bekender met zijn voorletters: K.A.R. Bosscha. Minister-president Jan Peter Balkenende wordt vaak aangeduid met zijn voorletters J. P., ook wel geschreven als Jeepee of Jépé. De P. in Drs. P is de initiaal van zijn achternaam Polzer en dus geen voorletter. Bij andere mensen heeft de tweede voorletter een ongewone nadruk gekregen, zoals bij Wim T. Schippers, naar eigen zeggen in navolging vanWillem O. Duys. Heel bekend zijn ook Ollie B. BommelAlfred J. Kwak en Peter R. de Vries. Bij ex-president George W. Bush werd de W. als tweede voorletter vermeld om duidelijk te maken dat het om junior ging. In Amerika is het wel heel gebruikelijk dat van een van de twee voornamen (die de meeste mensen daar hebben) alleen de voorletter wordt gebruikt, zoals van John F. Kennedy en L. Ron Hubbard. Zo niet vanO.J. Simpson of van B.A. Baracus.

      Van enkele mensen is bekend dat ze voorletters hebben gekregen die (bedoeld of niet) samen een (nieuwe) naam vormen. Anderen hebben voorletters, waarvan de uitspraak samen weer een (nieuwe) naam is, zoals B. A. (Bea), C. A. (Cea), G. (Gé), G. A. (Gea), K. P. (Kapé), L. A. (Ella), L. I. (Elly), L. N. (Ellen), L. S. (Elles), M. (Em), M. A. (Emma), M. I. (Emmy), N. I. (Enny), T. O. (Theo), T. A. (Thea), enzovoort. Ook kan de combinatie met een tussenvoegsel weer een voornaam opleveren, zoals A. te (Ate), I. van (Ivan), I. te (Ite), P. ter (Peter), S. ter (Esther), enzovoort.

      De chocoladeletters en banketletters die men met sinterklaas elkaar cadeau doet hebben overwegend betrekking op de eerste voorletter van de ontvanger.

      Veel e-mailadressen worden gevormd door een of meer voorletters in combinatie met de achternaam en eventueel het tussenvoegsel. Of er tussen deze elementen wel of geen punten komen is met name voor bedrijven vaak een bewuste keuze. Als de zo geconstrueerde naam (voor het apenstaartje) bij deze provider al bestaat wordt veelal gesuggereerd hieraan nog een nummer toe te voegen. Een voorbeeld van een zo ontstaan e-mailadres is: hdegroot01@boekenkist.nl.

      In katholieke kringen in Nederland is het een gebruik om kinderen drie voornamen te geven, waarvan de laatste vrijwel altijd Maria is, ongeacht het geslacht. Zodoende is hun derde voorletter een 'M.'

      Voorletters zijn geen onderdeel van de gegevens in de GBA (gemeentelijke adresbestanden). Hierin worden uitsluitend de volledige voornamen opgenomen. Bedrijven en instanties die deze gegevens overnemen van de Gemeente dienen zelf de voorletters te beheren. Vaak worden deze automatisch uit de voornamen afgeleid. Hierdoor worden de dubbele voorletters genegeerd.

      Dubbele voorletters

      Van sommige namen is de afkorting niet eenduidig met slechts één letter te maken. Dit kan te maken hebben met vaste lettercombinaties, maar ook met een extra onderscheid tussen familieleden of zelfs tussen verschillende voornamen van één persoon. In dat geval worden twee of drie letters vermeld. Voorbeelden hiervan zijn:

      [bewerken]Trivia

      • Toen Xandra Reemer in Sint-Michielsgestel bij de zusters op school kwam, moest ze daar gedwongen afstand doen van haar 'duivelse voorletter'. Xandra werd Sandra.
      • De voorletters van Joseph Luns waren formeel "J.A.M.H.", maar op zijn 18e liet hij dit wijzigen in "J.M.A.H".
      • De voorletter 'J.' van J. Robert Oppenheimer staat volgens sommigen voor "Julius", naar zijn vader, maar hijzelf zei eens dat de J nergens voor stond. De FBI hield het op "Julius" of op "Jerome". Bij de volkstelling van 1920 was het "Robert J. Oppenheimer".
      • De Amerikaanse president Harry S. Truman had geen tweede voornaam, maar alleen de voorletter S.
      • Ondertekent men een brief met (bijvoorbeeld) Harry Smit, dan is er alle kans dat het antwoord geadresseerd wordt aan H. Smit. Over het algemeen wordt dan ook aangeraden erop te letten dat de personen binnen een gezin verschillende voorletters hebben.
      • De voorletters van stadhouder Willem Frederik en zijn echtgenote Albertine Agnes zijn in de Prinsentuin in Groningen te zien in de vorm van geknipte heggetjes.
      • Het getal in de naam Thermae 2000 is gebaseerd op de eerste voorletter M. van de beide oprichters M.A.M. Jaspars en M.H.W. Verschuur. MM is 2000 in Romeinse cijfers
      • Oud president-directeur van Philips Frans Otten nam zelf de telefoon vaak op met zijn voorletters 'PFS'.
      • De na de eerste avond op televisie door de VOO aangevraagde C-status wordt afgewezen omdat de voorletters van veel leden niet overeenkomen met de gegevens van de dienst Kijk en Luistergeld.
      • In Nederland wordt het tussenvoegsel met een kleine letter geschreven als er voorletters (of een ander deel van de naam) voor staan. Zonder voorletters of ander deel van de naam wordt de eerste letter een hoofdletter. Zie ook de Nederlandse spelling van achternamen

       

    • foto
    • handel en nijverheid

      Handel en nijverheid

      Gedurende een groot deel van de 17e eeuw domineerden Nederlanders, traditioneel kundige zeevaarders en talentvolle kaartenmakers, de wereldhandel, een positie die daarvoor in mindere mate was ingenomen door de Portugezen en de Spanjaarden, en die later zou overgaan in handen van de Engelsen, na een felle competitiestrijd die aanleiding zou geven tot enkele oorlogen (die vooral ter zee werden uitgevochten).

      In 1602 werd als gezegd de Verenigde Oostindische Compagnie(VOC) gesticht. Deze onderneming kreeg het Nederlandse monopolie op handel met Azië en zou dit bijna twee eeuwen behouden. Het zou 's werelds grootste handelsonderneming van de 17e eeuw worden. Specerijenwerden in grote hoeveelheden geïmporteerd en leverden grote winsten op, enerzijds door de grote inspanningen die geleverd moesten worden en dito risico's waar deze mee gepaard ging, anderzijds door de niet te verzadigen vraag naar deze producten (met specerijen kon de smaak van voedsel dat niet meer zo vers was gemaskeerd worden).

      De VOC bestond overigens grotendeels van de handel binnen Azië. Toen de Engelsen de winstgevende opiumhandel tussen de papaverveldenin Bengalen en de markten op Java en in China overnamen kon de VOC geen grote winsten meer maken.

      In 1609 werd de Beurs van Amsterdam opgericht (een eeuw eerder dan de tegenhanger in Londen), die samen met de in hetzelfde jaar opgerichte Amsterdamsche Wisselbank van deze stad spoedig het financiële centrum van Europa zou maken.

      De financiële infrastructuur van de Nederlanden was gunstig voor het vormen van een handelsnatie. Anders dan in andere landen, waar de adelde vermogens en het bestuur monopoliseerde en op de handel neerkeek, was er in Nederland veel kapitaal beschikbaar voor ondernemingen. De beurs, een vrij efficiënt bestuur, de bereidheid van de bankiers om risico's te nemen en een landsbestuur dat niet neerkeek op de handel maar die juist stimuleerde zorgden voor een voor Europa uniek investeringsklimaat.

      Andere volken werden in deze tijd bestuurd door aristocraten die vooral in kastelen, jacht en oorlogen waren geïnteresseerd en hun land daarbij ruïneerden.

      Holland domineerde ook de handel in bulkgoederen tussen Europese landen (waar ruim een eeuw tevoren de Hanzesteden nog een prominente rol hadden gespeeld). Geografische aspecten speelden hierbij ook een rol, enerzijds de gunstige ligging, op een kruispunt van oost-west en noord-zuid routes, anderzijds de uitstekende verbinding met een groot Duits achterland via de Rijn. Nederlandse handelaren verscheepten wijn en zout uit Frankrijk en Portugal naar de landen rond de Oostzee en keerden terug met vooral graan. Zweeds kruithoutijzer en wapens, maar ook vele andere goederen die voor een deel weer naar landen rond de Middellandse Zee werden vervoerd.

      Wie de scheepsbewegingen nagaat ziet dat de handel op de Oostzee het fundament van de welvaart was. De Koning van Denemarken, de man die de Sont controleerde was dan ook een belangrijke bondgenoot.

      Ook het Nederlandse industriële potentieel nam toe. Scheepswerven en suikerraffinaderijen zijn daarvan goede voorbeelden.

      De haringvangst was een zeer belangrijke bron van inkomsten. Naarmate meer land in productie werd genomen (deels door het inpolderen van een aantal meren) namen de graanproductie en veehouderij in belang toe.

      Ook de prominente rol die Nederland zou gaan spelen in de slavenhandel was reeds in de maak. Handelsroutes voor slaven liepen in de 17e eeuw vooral via Elmina naar Brazilië en de Caribische eilanden.

    • religie

      Een meerderheid in de noordelijke provincies was inmiddels calvinist, of behoorde althans tot de Nederduits Gereformeerde Kerk (later Nederlandse Hervormde Kerk). Deze kerk was geen toonbeeld van eensgezindheid. In het begin van de 17e eeuw werd de Republiek verscheurd door bittere tegenstellingen tussen de 'preciezen' en de 'rekkelijken'. Laatstgenoemden, de remonstranten, geloofden niet inpredestinatie (voorbeschikking tot hemel of hel, ongeacht iemands levenswandel) en pleitten voor vrijheid van geweten. Hun meer dogmatische tegenstanders, die zich contra-remonstranten noemden, wonnen het pleit bij de synode van Dordrecht. Het grote aantal vertakkingen binnen de Nederlandse protestantisme zal er wellicht toe bijgedragen hebben dat de onderlinge tegenstellingen na verloop van tijd afzwakten en daarmee de onderlinge verdraagzaamheid weer toenam. Na de Synode van Dordrecht komt er onder de behoudende Calvinistische predikers een beweging op gang tot verdere doorwerking en verbreiding van het bijbelse ideaal in leer en leven in 'bevindelijke' zin. Deze stroming staat bekend als de Nadere Reformatie. De bekende hoogleraar Gisbertus Voetius was de grote man van deze stroming. Het beginpunt van deze ontwikkeling ligt in het boek van de Zeeuwse predikant Willem Teellinck uit 1647 Noodtwendigh Vertoogh. Het boek, circa 500 pagina's, bevat een omvangrijk program tot reformatie van het volksleven.

      Ook het humanisme, dat in de 16e eeuw was opgekomen en dat in Desiderius Erasmus zo niet de geestelijk vader dan toch een belangrijk pleitbezorger had, had nog steeds veel invloed en droeg bij aan een klimaat van tolerantie.

      Het viel niet mee om de genoemde tolerantie ook naar katholieken tentoon te spreiden. Religie had immers (naast politieke en economische motieven) een belangrijke rol gespeeld in de opstand tegen Spanje, de Tachtigjarige Oorlog. Met geld kon echter veel bereikt worden. Zo konden katholieken na betaling van steekpenningen gedaan krijgen dat het houden van een mis (in een schuilkerk) oogluikend werd toegestaan, maar openbare ambten waren voor hen onbereikbaar. Hetzelfde gold voordoopsgezinden en voor joden.

      De relatief grote verdraagzaamheid was niet geheel van principiële aard; handelsbelangen en onverschilligheid speelden ook een rol. In ieder geval kwamen er grote aantallen mensen die in omringende landen om hun religie vervolgd werden, naar Nederland om daar in relatieve vrijheid te leven. Met name dienen de (vaak gefortuneerde) joodse kooplieden uit Portugal (de sefardim) vermeld te worden. Uit Frankrijk kwamen, na de intrekking van het Edict van Nantes in 1685 veel hugenoten en joden; velen van hen waren gespecialiseerde handwerkslieden en geleerden. Dat de tolerantie niet ongelimiteerd was ondervond filosoof Baruch de Spinoza (1632-1677) - hij werd wegens zijn opvattingen door de Joodse gemeenschap uitgestoten. Wijselijk liet hij zijn controversiële Tractatus Theologico-Politicus anoniem in het Latijn verschijnen, en ook dat was niet zonder risico. Radicale vrijdenkers als Adriaen Koerbagh kregen ook van overheidswege met repressie te maken; hij eindigde zijn leven als dwangarbeider in het Amsterdamse Rasphuis.

    • schilderskunst

      Zoals reeds eerder vermeld was de clientèle van de Nederlandse kunstenaar zeer verschillende van die van hun buitenlandse collega's (zie ook sectie cultuur hierboven). Dit had invloed op de onderwerpen die men hier koos en de stijl van schilderen. Nog een verschil met het buitenland was dat veel doeken niet in opdracht vervaardigd werden, maar via veilingen en kunsthandelaren afgezet werden. Deze aanpak werkte specialisatie in de hand, waardoor de net niet briljante schilders zich op een thema van eigen keuze kon toeleggen en in dat genre toch konden excelleren.

      Populaire genres waren:

      Mengvormen van deze categorieën kwamen ook voor. Ook werden vaak allegorische voorstellingen afgebeeld, voorstellingen dus waarin objecten met een symbolische betekenis aan het hoofdonderwerp worden toegevoegd. Zo kon een stilleven bijvoorbeeld een schedel, een zandloper en een uitgedoofde kaars bevatten, elk een symbool van sterfelijkheid. Seizoenen werden vaak uitgebeeld door een menselijke activiteit af te beelden die typerend was voor die tijd van het jaar: schaatsen, zaaien, oogsten, etc. Afbeeldingen hadden ook vaak onder de oppervlakte een moralistische lading.

      [bewerken]Historiestukken

      Deze categorie omvat niet alleen schilderijen die werkelijke historische gebeurtenissen afbeelden, maar ook voorstellingen van bijbelse, mythologische, literaire en allegorische voorstellingen. Minder dan in omringende landen, waar de adellijke of geestelijke opdrachtgevers vaak aanstuurden op het inboezemen van ontzag bij de kijker, schilderde men in Nederland grote, dramatische, historische of bijbelse voorstellingen. In plaats daarvan legden schilders, met name in de noordelijke Nederlanden, zich toe op het beroeren van de kijker door hem of haar deelgenoot te maken van een tafereel van diepgaande intimiteit.

      Zo zijn Rembrandt en Rubens representatieve voorbeelden van de grote verschillen in stijl tussen schilders uit de Republiek, de noordelijke provincies, enerzijds en Vlaanderen, de zuidelijke provincies, anderzijds.

      Veel belangrijke Nederlandse schilders zijn geïnspireerd en beïnvloed, althans in hun beginjaren, door Italiaanse voorbeelden. Kopieën van Italiaanse meesterwerken circuleerden hier. Deze suggereerden bepaalde compositorische schema's. Ook de behandeling van licht en donker (chiaroscuro), waar de Nederlanders zelf absoluut meesters in zouden worden, was voor een deel terug te voeren op Italiaanse voorgangers, met name op Caravaggio. Ook trok men zelf naar Italië om de voorbeelden met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Als een speciale schakel fungeerden de Utrechtse caravaggisten zoals Hendrick ter BrugghenDirck van Baburen en Gerard van Honthorst.

    • historiestukken

       

      (Groeps-)portretten

      RembrandtDe Nachtwacht(1642)

      Geschilderde portretten waren in de 17e eeuw in de Nederlanden zeer gewild. Rijke handelaren en patriciërs lieten zich graag afbeelden. Ook werden veel opdrachten geplaatst door de vooraanstaande leden van een schutterij of bestuursorgaan.

      Vooral in de eerste helft van de eeuw waren portretten erg formeel, en strak van opbouw. Vaak zat een groep rond een tafel, en was ieders blik naar de toeschouwer gericht. Kledij werd zeer minutieus afgebeeld. Dit gold ook voor meubels en eventuele andere objecten, om zo de maatschappelijke positie van de geportretteerde te onderstrepen. Later in de eeuw werden groepstaferelen levendiger en de kleuren helderder.

      Wetenschappers poseerden vaak gezeten tussen hun instrumentarium en studieobjecten. Artsen werden meermalen afgebeeld tijdens een 'anatomische les': gegroepeerd rond een lijk, terwijl een van hen college gaf. De beroemdste hiervan is de Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp (1632MauritshuisDen Haag).

      Bestuursraden zagen zich graag afgebeeld rond een tafel, ernstig kijkend. De sobere donkere kledij benadrukte enerzijds hun gestrengheid en nederigheid, maar maakte door zorgvuldig gepenseelde verfijning en snit toch duidelijk dat zij niet tot de minsten behoorden. Families lieten zich graag vereeuwigen in hun luxueuze huizen.

      Vooral in Amsterdam en Haarlem werden veel schuttersstukken vervaardigd. De opdrachtgevers poseerden als machtige, joyeuze, zwierige mannen van de wereld. Ook hier eerst weer veel gezelschappen die rond een tafel gezeten waren. Later werd de mise en scène dynamischer. Het bekendste schuttersstuk is De Schutterscompagnie van kapitein Frans Banning Cocq, beter bekend als De Nachtwacht (1642,RijksmuseumAmsterdam). In Amsterdam zouden de meeste schuttersstukken uiteindelijk in het bezit van de gemeente komen. Veel daarvan zijn nu onderdeel van de vaste collectie van het Amsterdams Historisch Museum. De Haarlemse schuttersstukken bevinden zich bijna allemaal in het Frans Hals Museum. Maar liefst 18 van de 20 bewaard gebleven Haarlemse schuttersportretten zijn daar te bewonderen. Vijf daarvan zijn vervaardigd door Frans Hals: kolossale doeken, die samen 68 individuele portretten tonen, geschilderd in de fameuze, in de loop der tijd steeds lossere en virtuozere schilderstijl die Hals' handelsmerk was.

      Bij veel groepsportretten betaalde iedereen die afgebeeld wilde worden de schilder apart, die dan de plaats van de persoon op het schilderij liet afhangen van de bijdrage: met een royale betaling kon met zich van een plaats op de voorgrond verzekeren, en werd men in vol ornaat van hoofd tot voeten uitgebeeld; had men bescheiden bijgedragen, dan figureerde men al gauw op de achtergrond, het hoofd nog net zichtbaar tussen omstanders.

    • Noten van muziek

      De verticale plaats van de nootbolletjes bepaalt - met sleutel en voortekens - de toonhoogte.

      De nootduur (lengte van noten) wordt aangegeven door de vorm van de noot, door vlaggetjes - al dan niet samengenomen met eenwaardestreep. De basis voor de nootwaarde is de hele noot: een open ovaal (bolletje). De helft daarvan, de halve noot, krijgt een stok. Dekwartnoot krijgt een stok en een gesloten bolletje. De achtste noot krijgt een vlaggetje aan de stok, de zestiende noot twee vlaggetjes, enz. Door een of meerdere verlengingspunten wordt de nootduur steeds met de helft van de genoteerde duur verlengd. Door een groeperingsteken met een cijfer erbij kan de duur zodanig veranderd worden dat er ook afwijkende nootwaarden mogelijk worden. Hiermee worden trioolkwintoolenz. genoteerd. Analoog aan de notatie van de duur van de noot bestaat er een systeem om de duur van de rust (stilte) aan te duiden.

      [bewerken]Metrum

      Muzieknotatie beschrijft niet alleen de toonhoogte en duur maar ook de plaats van de noot in de melodielijn en in het metrum. De maatsoortgeeft het aantal tellen in de maat weer, en wordt vooraan (of telkens als de maatsoort wijzigt) in ieder muziekstuk geschreven met twee getallen; het bovenste cijfer geeft het aantal tellen, het onderste de duur van die tellen. Op de notenbalk wordt met maatstrepen aangegeven wanneer de maat vol is (volgens de maatsoort).

      [bewerken]Tempo

      De snelheid (tempo) waarmee een muziekstuk moet worden gespeeld wordt strikt genomen niet door de notatie aangeduid, maar door een doorgaans Italiaanse muziekterm zoals allegro, moderato, ... tenzij men het cijfer van de metronoom-aanduiding op de partituur schrijft.
      De manier van spelen van de noot wordt aangegeven met tekentjes op of onder de noot. Dit worden versieringstekens of ornamenten genoemd. Hoe luid noten of passages gespeeld moeten worden wordt aangegeven met dynamiektekens .

      [bewerken]Lichte muziek

      In de lichte muziek en jazz wordt ook gebruikgemaakt van de 'klassieke' muzieknotatie. Door het meer improvisatorisch karakter heeft deze stijl echter zijn eigen gebruiken en regels voor de notatie verworven. In de lichte muziek wordt vaak gebruikgemaakt van een akkoordenschema of een leadsheet, waarbij meestal slechts de melodie en akkoordsymbolen worden weergegeven. De precieze invulling hiervan (het arrangement) wordt grotendeels overgelaten aan de uitvoerders. In de versies van het Realbook dat veel door lichte musici wordt gebruikt komen deze leadsheets veelvuldig voor.

    • Foto's europa